Amerikanen zijn bang geworden, ziet Ian Kenny van het John Adams Institute
In dit artikel:
Ian Kenny (33) is sinds september 2025 directeur van het John Adams Institute, het Amsterdamse platform voor Amerikaanse cultuur, literatuur en politiek debat dat dit jaar zijn 40-jarig bestaan viert. Vanuit twee kamers in het West-Indisch Huis organiseert het instituut lezingen en gesprekken — onlangs was historicus Jill Lepore te gast, binnenkort spreken The New Yorker-journalist Evan Osnos en Mark Leibovich van The Atlantic — en er staat een ‘most wanted’-lijst met namen als New York-burgemeester Zohran Mamdani, Fiona Hill en zelfs Barack Obama.
Kenny, van oorsprong Canadees (opgegroeid in Ottawa) en inmiddels naturaliseerd Nederlander, verhuisde elf jaar geleden naar Amsterdam voor een master aan de UvA. Hij omschrijft zichzelf nadrukkelijk niet als expat: hij leerde snel Nederlands, ging op in de samenleving buiten Amsterdam en woont nu ook in Bergen, waar hij op de kandidatenlijst van D66 staat voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen. Zijn familiebanden met de Verenigde Staten (twee grootmoeders kwamen uit de VS) bepaalden veel van zijn belangstelling voor Amerika; tegelijk merkte hij dat de gewoonte van ongecompliceerd grensverkeer is veranderd sinds de herverkiezing van Trump.
In augustus bezocht Kenny de VS op uitnodiging van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken met een groep jonge Europese leiders. Ze zagen onder meer de Nationale Garde in Washington DC, spraken met medewerkers van ICE in Kansas City, overlegden met verkiezingsorganisatoren in Cleveland en bezochten een militaire locatie in Colorado. Zijn indruk: er is enerzijds veel lokaal verzet en maatschappelijke energie, anderzijds een algemene sfeer van ontkenning en afleiding vanuit het Witte Huis — feiten werden soms afgewezen of als vertrouwelijk weggezet — en hij trof veel gewone Amerikanen die terughoudend en bang waren om openlijk over het federale beleid te praten.
Die ervaringen beïnvloeden ook het werk van het John Adams Institute. De kernopdracht — pleiten voor vrijheid van meningsuiting, democratie en vrije gedachtewisseling via literatuur en debat — blijft ongewijzigd, maar het publiek en de perceptie zijn politiserder geworden. Conservatieve of Republikeinse sprekers accepteren uitnodigingen steeds minder vaak; het instituut weigert echter bewust om als podium voor propagandapraatjes te fungeren en vraagt dialoog van gasten. Financieel opereert het zonder Nederlandse of Amerikaanse overheidssubsidie; de inkomsten komen van enkele bedrijven en vooral van honderden particuliere donateurs, ongeveer half Amerikaans en half anderszins — veelal Nederlanders.
Kenny merkt geen terughoudendheid bij sprekers sinds Trumps tweede termijn; juist het tegengaan van verslechtering van het publieke debat lijkt veel mensen te motiveren om aan te schuiven. Zijn einddoel blijft helder: geen echo‑kamer, maar een open, kritische ruimte waarin zowel progressieve als conservatieve stemmen — mits bereid tot echte dialoog — kunnen deelnemen.