Sterren, strepen, en (on)vrijheid in Amerika
In dit artikel:
Björn Soenens reflecteert op de uiteenlopende betekenissen en de slinkende realiteit van 'vrijheid' in de Verenigde Staten, naar aanleiding van Trumps State of the Union van vorige week waarin het woord vaak viel. Vrijheid is daar verankerd in cultuur en politiek: het wordt opgevoerd als vanzelfsprekend recht en als tegenreactie tegen overheidsbemoeienis. Maar die retoriek staat haaks op de dagelijkse ervaring van veel Amerikanen.
Soenens benadrukt de paradox: Amerikanen willen vooral vrij zijn van staatsinmenging, maar zijn tegelijk gevangen in economische en bureaucratische dwangbuisjes. Werkgevers bepalen ziektekostenverzekering, medische zorg is vaak onbetaalbaar, studieschulden drukken generaties, en kredietscores bepalen toegang tot huisvesting of leningen. Zelfs eenvoudige handelingen — een kredietkaart aanvragen, een gebouw binnenkomen, of een rugzak door een metaaldetector laten gaan — tonen aan hoe veel regels en controle het leven doordringen.
Ook institutioneel brokkelt vrijheid af. Persvrijheid staat onder druk: kritische media worden bestempeld als 'nepnieuws', toegang tot officiële locaties wordt selectiever gemaakt, en publieke omroepen als PBS en NPR zien hun financiering opdrogen terwijl pro-regeringskanalen groter podium krijgen. Dat leidt tot zelfcensuur, juridische intimidatie en een klimaat waarin journalisten als politieke tegenstanders worden gezien. Een illustratie is het ontslag van het hoofd statistiek bij het ministerie van Arbeid nadat ongunstige werkcijfers naar buiten kwamen.
Sociale media verergeren de situatie: ze bieden wel spraakruimte, maar niet bescherming tegen de razendsnelle vernietiging van reputaties; polarisatie is tegelijk content en verdienmodel. Vrijheid van meningsuiting wordt steeds vaker ingevuld als het recht om onwaarheden te verspreiden, en pogingen om desinformatie te bestrijden worden afgedaan als censuur.
Academische vrijheden en milieubescherming lijden eveneens. Universiteiten riskeren federale sancties als ze programma’s rond diversiteit of klimaatonderzoek steunen; in sommige staten gelden zelfs strikte beperkingen op wat filosofielessen mogen aanraken. Tegelijk zijn milieuregels versoepeld of afgeschaft: CO2- en kwikuitstoot worden minder gereguleerd en boren in beschermde gebieden krijgt weer ruimte. Wapenbezit blijft sacrosanct — met jaarlijks ongeveer 40.000 dodelijke schotwonden als gevolg.
Soenens wijst op een ideologische grondslag: veel Amerikanen zien zekerheid als afhankelijkheid van de staat en verkiezen een beperkte overheid, ook al betekent dat grotere individuele risico’s. Sinds Trumps terugkeer heerst volgens hem een versie van “absolute democratie” die minder ruimte laat voor minderheden; transpersonen en migranten worden actief gemarginaliseerd en tegenstanders van de overheid lopen gevaar.
Toch blijft de aantrekkingskracht van de VS bestaan: de belofte van zelfvernieuwing, ambitie en het recht om te falen spreekt nog steeds aan. Maar die energie raakt uitgeput; de mythe van Amerika als hoeder van vrijheid verliest geleidelijk haar glans, waarschuwt Soenens.